
Jurisprudentie
AQ1479
Datum uitspraak2004-07-01
Datum gepubliceerd2004-08-05
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsMiddelburg
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 01/69580
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-08-05
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsMiddelburg
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 01/69580
Statusgepubliceerd
Indicatie
Verbreking feitelijke gezinsband / artikel 8 EVRM.
Verweerder heeft kunnen stellen dat de feitelijke gezinsband tussen eisers en hun ouders verbroken moet worden geacht. Niet aannemelijk is geworden dat het oude driejarenbeleid voor eisers gunstiger zou zijn geweest. Ook onder het oude beleid moet aannemelijk worden geacht dat niet voldaan was aan de belangrijkste voorwaarde voor gezinshereniging, te weten het feitelijk behoren tot het gezin van vader. Het beroep op TBV 2003/7 slaagt evenmin, nu door eisers bij hun aanvraag met als doel verblijf bij vader niet tevens een aanvraag is ingediend met als doel klemmende redenen van humanitaire aard. Ten aanzien van het beroep op 8 EVRM overweegt de rechtbank dat verweerder in het kader van de bepaling van de omvang van de negatieve of positieve verplichtingen niet alle relevante feiten en omstandigheden in het individuele geval in ogenschouw heeft genomen. Het standpunt van verweerder leidt er immers toe dat verweerder de ouders plaatst voor de keuze óf afstand te nemen van hetgeen zij gezien hun lange legale verblijf in Nederland hebben opgebouwd, óf af te zien van het gezelschap van hun zes kinderen. Referent verblijft al sinds 1975 in Nederland, is sinds 19 december 1979 in het bezit van een verblijfsvergunning en heeft met zijn partner sinds 1990 een bestaan in Nederland opgebouwd. Daarnaast is niet gebleken of verweerder rekening heeft gehouden met de leeftijd van de jongste kinderen ten tijde van de aanvraag. Voorts kan niet worden gezegd dat zij illegaal Nederland zijn ingereisd, aangezien er ten tijde van hun inreis geen wettelijke mvv-plicht bestond. Eisers werden door verweerder meer dan vier jaar in staat gesteld hun gezinsleven in Nederland te herstellen en te ontwikkelen. In die periode heeft verweerder geen beslissing op hun bezwaar genomen. Ook is niet gebleken of rekening is gehouden met de banden die eisers tijdens hun rechtmatig verblijf hebben opgebouwd in Nederland en de geringe banden die met name de jongste kinderen nog hebben met hun land van herkomst. Beroep gegrond.
Uitspraak
Rechtbank ’s-Gravenhage
sector bestuursrecht
vreemdelingenkamer, enkelvoudig
nevenzittingsplaats Middelburg
__________________________________________________
UITSPRAAK
ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht
__________________________________________________
Reg.nr : AWB 01/69580
Inzake : A, geboren op [...] 1982
B, geboren op [...] 1983
C, geboren op [...] 1985
D, geboren op [...] 1986
E, geboren op [...] 1988 en F, geboren op [...] 1992, eisers, gemachtigde mr. T. Sönmez, advocaat te Rotterdam
tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. J.M. Kobus, medewerkster bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
I. Procesverloop
Eisers bezitten de Marokkaanse nationaliteit. Zij verblijven sedert 17 juli 1997 als vreemdelingen in de zin van de vreemdelingenwetgeving in Nederland. Bij schrijven van 21 augustus 1997 hebben zij een aanvraag ingediend tot verlening van een vergunning tot verblijf met als doel “verblijf bij Nederlandse vader G” . Op deze aanvragen is door verweerder op 2 april 1998 afwijzend beslist. Eisers hebben tegen deze besluiten een bezwaarschrift ingediend. Op 22 november 2001 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.
Op 20 december 2001 hebben eisers tegen deze besluiten beroep ingesteld.
De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 22 april 2004. A en C zijn verschenen bij gemachtigde. B, D, E en F zijn verschenen met bijstand van hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren de ouders van eisers en hun oudste broer ter zitting aanwezig.
II. Overwegingen
1. Op 1 april 2001 is in werking getreden de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000, hierna Vw 2000), Stb. 2000, 495. Nu de bestreden besluiten zijn bekend gemaakt na 1 april 2001, is op de beoordeling daarvan het thans geldende recht van toepassing.
Ingevolge artikel 14, lid 2, Vw 2000, wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder beperkingen verleend, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Daarbij is bepaald dat aan de vergunning voorschriften kunnen worden verbonden.
Artikel 3.4, lid 1, onder a Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) vermeldt dat de in artikel 14, lid 2, Vw 2000 bedoelde beperkingen verband kunnen houden met gezinshereniging.
Ingevolge de artikelen 3.13 en 3.14 van het Vb 2000 kunnen voor gezinshereniging in aanmerking komen het minderjarige biologische of juridische kind van de hoofdpersoon, dat naar het oordeel van verweerder feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van die hoofdpersoon en dat onder het rechtmatige gezag van die hoofdpersoon staat.
Het beleid met betrekking tot gezinshereniging met minderjarige kinderen is neergelegd in paragraaf B2/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
Het door verweerder tot 1 april 2001 gevoerde driejarenbeleid was neergelegd in hoofdstuk A4/6.22 van de Vc 1994. Hierin was bepaald dat een vreemdeling die langdurig in onzekerheid verkeerde omtrent de uitkomst van zijn toelatingsprocedure onder bepaalde voorwaarden in aanmerking kon komen voor toelating tot Nederland op grond van het zogenaamde driejarenbeleid. Bepaald was dat in ieder geval diende te zijn voldaan aan de volgende drie cumulatieve voorwaarden:
- er zijn ten minste drie jaren verstreken na de datum van de aanvraag om toelating en de vreemdeling heeft nog geen beslissing of nog geen onherroepelijke beslissing op zijn aanvraag ontvangen, terwijl het oorspronkelijk beoogde verblijfsdoel nog steeds van toepassing is en de vreemdeling voldoet aan de belangrijkste voorwaarde voor het verlenen van de vergunning tot verblijf; en
- de uitzetting is om beleidsmatige redenen achterwege gebleven; dat wil zeggen om een reden die verband houdt met het verblijfsdoel; en
- er is geen sprake van contra-indicaties.
Het door verweerder sinds 1 april 2001 gevoerde driejarenbeleid is neergelegd in hoofdstuk B1/2.2.11 van de Vc 2000. Hierin is bepaald dat een aanvraag niet wordt afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf of vanwege het niet (meer) beschikken over zelfstandige en duurzame middelen van bestaan, indien op de aanvraag drie jaren na ontvangst ervan niet onherroepelijk is beslist, terwijl de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft gehad. De overige afwijzingsgronden van artikel 16 Vw 2000 blijven van toepassing. Daarnaast geldt – onder meer- de voorwaarde dat het oorspronkelijk beoogde verblijfsdoel nog van toepassing is.
2. Bij de beoordeling van het beroep neemt de rechtbank de volgende feiten in aanmerking:
Bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, van 21 mei 2001 is het beroep van eisers tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaarschriften, gegrond verklaard onder vernietiging van het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit en is bepaald dat verweerder binnen een termijn van zes weken na verzending van de uitspraak een besluit op de bezwaarschriften dient te nemen. Bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, van 14 november 2001 is het beroep dat namens eisers opnieuw is ingediend tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaarschriften, gegrond verklaard onder vernietiging van het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit, waarbij is bepaald dat binnen een termijn van vier weken na verzending van de uitspraak een besluit op de bezwaarschriften moet zijn genomen op straffe van een dwangsom van f 250,-- voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers niet in aanmerking komen voor de gevraagde verblijfsvergunning omdat de feitelijke gezinsband tussen eisers en hun vader is verbroken. De enkele in bezwaar overgelegde stortingsbewijzen over de jaren 1992-1995 en een tweetal telefoonrekeningen doen niet af aan het feit dat eisers duurzaam opgenomen zijn geweest in een ander gezin. Door overlegging van deze stukken is onvoldoende aangetoond dat er daadwerkelijk invulling is gegeven aan het gezinsleven. Voorts is niet gebleken dat de vader van eisers inmiddels voldoet aan het middelenvereiste. Nu de feitelijke gezinsband tussen eisers en hun vader verbroken is, komen eisers evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid. Tenslotte is er volgens verweerder geen sprake van schending van artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (8 EVRM).
4. Eisers stellen zich op het standpunt dat gezien het feit dat er geld naar Marokko is overgemaakt, vader enkele malen per jaar en door moeder jaarlijks naar Marokko is gereisd en er telefonisch contact was, verweerder ten onrechte heeft gesteld dat het gezinsleven verbroken is. Eisers stellen zich op het standpunt dat er voor hen in het land van herkomst geen opvang meer is nu hun grootmoeder is overleden en hun oom niet langer in staat is om de opvoeding en de verzorging van eisers op zich te nemen. Daarnaast voeren eisers aan dat hun beroep op het driejarenbeleid ten onrechte door verweerder is verworpen, nu het oude driejarenbeleid van toepassing is. Tevens doen eisers een beroep op artikel 8 EVRM en verwijzen hierbij naar de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 21 december 2001 inzake Sen tegen Nederland. Ter zitting hebben eisers een beroep gedaan op TBV 2003/7.
5. De rechtbank overweegt het volgende.
5.1 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de feitelijke gezinsband tussen eisers en hun ouders in ieder geval sinds 15 december 1990 verbroken moet worden geacht en overweegt daartoe het volgende. Vaststaat dat uit informatie van de Korpschef van Rotterdam-Rijnmond gebleken is dat de moeder van eisers sinds 15 december 1990 in het bezit is van een vergunning tot verblijf met als doel “verblijf bij echtgenoot” en dat hun vader sedert 1975 in Nederland verblijft en sinds 19 december 1979 in het bezit is van een verblijfsvergunning. Blijkens de verklaring van referent zijn eisers in het land van herkomst verzorgd door hun oom en grootmoeder. Onderhavige aanvragen voor verblijf zijn eerst ingediend op 21 augustus 1997. Uit het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de opneming van eisers in een ander gezin duurzaam is geweest. Voorts is het de rechtbank niet gebleken van een intentie om eisers zo spoedig mogelijk over te laten komen, hetgeen ook ter zitting door eisers is erkend. De enkel in bezwaar overgelegde stortingsbewijzen alsmede de telefoonrekeningen zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat de gezinsband sinds 1990 tot de inreis van eisers en hun onderhavige aanvraag in 1997 niet is verbroken. De rechtbank is van oordeel dat met het overleggen van voornoemde bescheiden onvoldoende is gebleken dat de ouders vanuit Nederland overwegende invloed hebben uitgeoefend op de opvoeding en verzorging van eisers en hieraan wezenlijk financieel hebben bijgedragen.
Nu uit het bovenstaande blijkt dat eisers niet aan de voorwaarden van de door hen gevraagde verblijfsvergunning voldoen, komen zij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in het kader van gezinshereniging op grond van artikel 3.14 Vb 2000.
5.2 Met betrekking tot het beroep op het driejarenbeleid overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank stelt vast dat de aanvraag op 21 augustus 1997 is ingediend. Niet in geschil is dat er sprake is van drie jaar relevant tijdsverloop en dat het moment van vollopen van de driejarentermijn, 21 augustus 2000, vóór de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 ligt. Eisers hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte het veranderde ongunstigere driejarenbeleid als neergelegd in de Vc 2000 heeft toegepast.
De rechtbank is van oordeel dat, daargelaten de vraag of het driejarenbeleid zoals neergelegd in de Vc 2000 van toepassing is, niet aannemelijk is geworden dat het oude driejarenbeleid, zoals neergelegd in A4/6.22.3 van de Vc 1994, voor eisers gunstiger zou zijn geweest. Ook onder het oude beleid moet immers aannemelijk worden geacht dat niet voldaan was aan de belangrijkste voorwaarde voor gezinshereniging, namelijk het feitelijk behoren tot het gezin van vader. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder op goede gronden vastgesteld dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid.
5.3 Eisers ter zitting gedane beroep op TBV 2003/7 kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin slagen, nu door eisers bij hun aanvraag met als doel “verblijf bij vader”, niet tevens een aanvraag is ingediend met als doel “klemmende redenen van humanitaire aard”. Ter zitting hebben eisers zich op het standpunt gesteld dat verweerder in de beslissing op eisers aanvraag ambtshalve heeft getoetst aan “klemmende redenen van humanitaire aard” zodat hun aanvragen wel degelijk onder de regeling dienen te vallen. Dat verweerder bij het nemen van de primaire besluiten ambtshalve heeft geoordeeld dat evenmin is gebleken van feiten of omstandigheden van een zodanig klemmende humanitaire aard dat op grond daarvan aan eisers nochtans toestemming tot verblijf in Nederland zouden behoren te worden verleend, kan naar het oordeel van de rechtbank niet gelijk worden gesteld met een aanvraag met als doel “klemmende redenen van humanitaire aard”. Daar dienen immers ten tijde van de aanvraag klemmende redenen van humanitaire aard te zijn aangevoerd, hetgeen in casu niet het geval is. Het feit dat de medewerker bij de Vreemdelingendienst destijds bij hun aanvraag met als doel “verblijf bij vader” niet tevens “c.q. klemmende redenen van humanitaire aard” heeft ingevuld, komt derhalve voor rekening van eisers.
6. Ten aanzien van het beroep op artikel 8 EVRM overweegt de rechtbank als volgt.
Op basis van vaste jurisprudentie van het EHRM geldt daarbij als uitgangspunt dat artikel 8 EVRM voor de staat geen algemene verplichting meebrengt gezinsvorming of gezinshereniging op haar grondgebied mogelijk te maken door immigratie toe te staan. Teneinde de omvang van de negatieve of positieve verplichtingen van de staat te bepalen en de door de staat gemaakte belangenafweging te beoordelen, worden daarom alle relevante feiten en omstandigheden in het individuele geval in ogenschouw genomen.
De rechtbank is, uitgaande van het bestaan van familie- en gezinsleven tussen referent en eisers, van oordeel dat van inmenging in het recht op respect voor het familie- en gezinsleven geen sprake is, aangezien het niet inwilligen van de aanvraag om een verblijfsvergunning er niet toe strekt eisers een verblijfstitel te ontnemen die hen tot het uitoefenen van familie- en gezinsleven hier te lande in staat stelde. Indien, zoals in dit geval, geen sprake is van inmenging in het gezinsleven, kan niettemin onder omstandigheden op grond van artikel 8 EVRM op verweerder een positieve verplichting rusten om een vreemdeling verblijf hier te lande toe te staan. In dit verband dient een belangenafweging plaats te vinden tussen enerzijds verweerders belang bij handhaving van het restrictief toelatingsbeleid en anderzijds het belang van eisers bij uitoefening van hun familieleven. Daarbij is onder meer van belang of er sprake is van objectieve belemmeringen om het gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen en of er sprake is van bijzondere omstandigheden.
In het kader van deze belangenafweging is de door eisers in beroep aangevoerde uitspraak van het EHRM van 21 december 2001, inzake Sen tegen Nederland, van belang. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van dusdanig bijzondere feiten en omstandigheden dat uit het recht op respect voor het familie- of gezinsleven er een positieve verplichting voortvloeit eisers hier te lande verblijf toe te staan. Deze weigering belet volgens verweerder niet de voortzetting van het familie-of gezinsleven tussen eisers en hun ouders, zoals dat bestond voor de komst van eisers naar Nederland. Er is volgens verweerder geen objectief beletsel om het familie- en gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. Verweerder heeft in het verweerschrift dit standpunt gehandhaafd en overwogen dat eisers beroep op voornoemde uitspraak in het geheel niet is onderbouwd. Voorts vloeit hieruit geenszins een positieve verplichting voort om eisers hier te lande verblijf toe te staan. De rechtbank is echter van oordeel dat de in de zaak Sen gemaakte belangenafweging richtinggevend is voor de onderhavige zaak, ook al zijn de omstandigheden in de zaak Sen niet geheel identiek aan die in de onderhavige zaak.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat verweerder bij de in casu te maken belangenafweging alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken. Het standpunt van verweerder leidt er immers toe dat verweerder de ouders plaatst voor de keuze óf afstand te nemen van hetgeen zij gezien hun lange legale verblijf in Nederland hebben opgebouwd, óf af te zien van het gezelschap van hun zes kinderen.
In dat kader is van belang dat referent al sinds 1975 in Nederland verblijft en sinds 19 december 1979 in het bezit van een verblijfsvergunning is en hij samen met zijn partner sinds 1990 een bestaan in Nederland heeft opgebouwd. Daarnaast is niet gebleken of verweerder rekening heeft gehouden met de leeftijd van eisers en met name de leeftijd van de jongste kinderen ten tijde van de aanvraag.
Voorts kan, anders dan verweerder ter zitting heeft gesteld, niet worden gezegd dat zij illegaal Nederland zijn ingereisd, aangezien er ten tijde van hun inreis geen wettelijke mvv-plicht bestond. Eisers verbleven derhalve vanaf hun aanvraag rechtmatig in Nederland en werden door verweerder gedurende een periode van meer dan vier jaar in staat gesteld hun gezinsleven in Nederland te herstellen en te ontwikkelen. Voorts kan naar het oordeel van de rechtbank niet aan het feit voorbij worden gegaan dat deze lange periode te wijten is aan verweerder, namelijk door het lange tijd uitblijven van de beslissing op hun bezwaar.
Ook is niet gebleken of rekening is gehouden met de banden die eisers tijdens hun rechtmatig verblijf hebben opgebouwd in Nederland en de geringe banden die met name de jongste kinderen nog hebben met hun land van herkomst.
Nu niet gebleken is dat verweerder in het bestreden besluit bovengenoemde omstandigheden in de belangenafweging heeft meegewogen, ontbeert het bestreden besluit een deugdelijke motivering en kan mitsdien niet in stand blijven en zal wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden vernietigd.
7. Het beroep is derhalve gegrond.
8. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,00 en wegingsfactor 1).
III. Uitspraak
De rechtbank ’s-Gravenhage,
1. verklaart het beroep gegrond;
2. vernietigt de bestreden besluiten van 22 november 2001;
3. bepaalt dat verweerder binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten op de bezwaarschriften neemt met inachtneming van deze uitspraak;
4. veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ad € 644 onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen;
5. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eisers betaalde griffierecht ad € 109,-- vergoedt.
Aldus gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2004, in tegenwoordigheid van F.L. Blok, griffier.
De griffier De rechter
Afschrift verzonden op:1 juli 2004